Natural selectie heeft zijn effect op individuen, maar alleen populaties evolueren.

Microevolutie is het kleinste niveau waarop evolutie onderzocht kan worden: allel frequenties.

Genetic variation

  • Genetische variatie:
    • verschillen tussen individuen die in de sequentie van het DNA gevonden kan worden.
  • Variaties in genotype leiden tot variaties in fenotype
  • Niet alle fenotypische variaties zijn ook genotypisch
  • Natuurlijk selectie werkt alleen met genotypische variatie
  • Genetische variatie ontstaat door:
    1. Formatie nieuwe allelen
      • mutaties
    2. Verschillen gennummer of positie
    3. Snelle voortplanting
    4. Seksuele reproductie

Mutation

  • Mutaties:
    • zijn veranderingen in de sequentie van het DNA
    • Kunnen lijden tot nieuwe genen/allelen
  • Alleen mutaties in de cellen die voor de voortplanting worden gebruikt worden doorgegeven

Snelle voortplanting

  • Mutaties komen weinig voor in planten en dieren.
    • Het gemiddelde is ongeveer 1 mutatie per 100.000 bp per generatie
    • Door de snelle voortplanting van prokaryoten leidt dit tot grote variaties in korte tijd.

Seksuele voortplanting

  • Combineert allelen
  • Bij seksueel voortplantende organismen belangrijker voor variatie dan de anderen.

Gene pools and Allele Frequencies

  • Populatie:

    • Een populatie is een gelokaliseerde groep individuen die zich samen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
  • Genenpoel/gene pool:

    • Een genenpoel/gene pool bestaat uit alle allelen voor alle loci in een populatie.
  • Een locus staat vast als alle individuen in een populatie homozygoot zijn voor het locus

  • De frequentie van een allel in populatie kan berekend worden

    • Voor diploïde organismen is het totale aantal allelen op een locus gelijk aan het aantal individuen x 2
    • Het totale aantal dominante allelen is 2 voor iedere dominante homozygote individu en 1 allel voor iedere heterozygoot
      • Hetzelfde geldt voor recessieve allelen.

Hardy-Weinberg principe

  • Als er maar 2 allelen bestaan voor een locus gebruikt men de letters p en q om de frequentie aan te geven
  • De frequentie van de allelen opgeteld is 1
  • Het Hardy-Weinberg principe beschrijft een populatie die niet evolueert
  • Kan gebruikt worden om allelfrequenties te berekenen
  • Volgens het Hardy-Weinberg principe blijven de frequenties van allelen in een populatie ongewijzigd
  • Hardy-Weinberg equilibrium beschrijft de constante allelfrequentie in een populatie
    • p^2 + 2pq + q^2 = 1
    • p^2 en q^2 staan voor de frequenties van de homozygoten en 2pq staat voor de frequentie van het heterozygote fenotype
  • Conditions for Hardy-Weinberg equilibrium:
    • Het Hardy-Weinberg principe is slechts theoretisch
    • In echte populaties voldoet het principe vaak niet, doordat allel- en genotypefrequenties vaak veranderen
  • 5 Voorwaarden voor Hardy-Weinberg
    1. Geen mutaties
    2. Willekeurige partnerkeuze
    3. Geen natuurlijke selectie
    4. Ontzettend grote populatiegrootte
    5. Geen gene flow
  • Populaties kunnen op één locus in Hardy- weinberg equilibrium zijn, terwijl ze op een andere dat niet zijn.

Toepassen van het Hardy-Weinberg principe

We kunnen er van uitgaan dat phenylketonuria (PKU) in Hardy-Weinberg equilibrium is, omdat:

  • Mutatiesnelheid van het PKU gen is laag.
  • Partnerkeuze is onafhankelijk van de aandoening.
  • Natuurlijke selectie op PKU is zeldzaam en alleen bij mensen die zich niet aan het dieet houden.
  • Populatie is groot.
  • Migratie heeft geen effect.
    • Andere populaties hebben vergelijkbare genenpoelen.

1 op 10.000 heeft PKU dus 0.01% PKU = autosomaal recessief Q=0,01 Q^2= 0,0001 P= 0.99 P^2= 0.9801 2 x pq= 0.0198 ongeveer 2%