Natural selectie heeft zijn effect op individuen, maar alleen populaties evolueren.
Microevolutie is het kleinste niveau waarop evolutie onderzocht kan worden: allel frequenties.
Genetic variation
- Genetische variatie:
- verschillen tussen individuen die in de sequentie van het DNA gevonden kan worden.
- Variaties in genotype leiden tot variaties in fenotype
- Niet alle fenotypische variaties zijn ook genotypisch
- Natuurlijk selectie werkt alleen met genotypische variatie
- Genetische variatie ontstaat door:
- Formatie nieuwe allelen
- mutaties
- Verschillen gennummer of positie
- Snelle voortplanting
- Seksuele reproductie
- Formatie nieuwe allelen
Mutation
- Mutaties:
- zijn veranderingen in de sequentie van het DNA
- Kunnen lijden tot nieuwe genen/allelen
- Alleen mutaties in de cellen die voor de voortplanting worden gebruikt worden doorgegeven
Snelle voortplanting
- Mutaties komen weinig voor in planten en dieren.
- Het gemiddelde is ongeveer 1 mutatie per 100.000 bp per generatie
- Door de snelle voortplanting van prokaryoten leidt dit tot grote variaties in korte tijd.
Seksuele voortplanting
- Combineert allelen
- Bij seksueel voortplantende organismen belangrijker voor variatie dan de anderen.
Gene pools and Allele Frequencies
-
Populatie:
- Een populatie is een gelokaliseerde groep individuen die zich samen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
-
Genenpoel/gene pool:
- Een genenpoel/gene pool bestaat uit alle allelen voor alle loci in een populatie.
-
Een locus staat vast als alle individuen in een populatie homozygoot zijn voor het locus
-
De frequentie van een allel in populatie kan berekend worden
- Voor diploïde organismen is het totale aantal allelen op een locus gelijk aan het aantal individuen x 2
- Het totale aantal dominante allelen is 2 voor iedere dominante homozygote individu en 1 allel voor iedere heterozygoot
- Hetzelfde geldt voor recessieve allelen.
Hardy-Weinberg principe
- Als er maar 2 allelen bestaan voor een locus gebruikt men de letters p en q om de frequentie aan te geven
- De frequentie van de allelen opgeteld is 1
- Het Hardy-Weinberg principe beschrijft een populatie die niet evolueert
- Kan gebruikt worden om allelfrequenties te berekenen
- Volgens het Hardy-Weinberg principe blijven de frequenties van allelen in een populatie ongewijzigd
- Hardy-Weinberg equilibrium beschrijft de constante allelfrequentie in een populatie
- p^2 + 2pq + q^2 = 1
- p^2 en q^2 staan voor de frequenties van de homozygoten en 2pq staat voor de frequentie van het heterozygote fenotype
- Conditions for Hardy-Weinberg equilibrium:
- Het Hardy-Weinberg principe is slechts theoretisch
- In echte populaties voldoet het principe vaak niet, doordat allel- en genotypefrequenties vaak veranderen
- 5 Voorwaarden voor Hardy-Weinberg
- Geen mutaties
- Willekeurige partnerkeuze
- Geen natuurlijke selectie
- Ontzettend grote populatiegrootte
- Geen gene flow
- Populaties kunnen op één locus in Hardy- weinberg equilibrium zijn, terwijl ze op een andere dat niet zijn.
Toepassen van het Hardy-Weinberg principe
We kunnen er van uitgaan dat phenylketonuria (PKU) in Hardy-Weinberg equilibrium is, omdat:
- Mutatiesnelheid van het PKU gen is laag.
- Partnerkeuze is onafhankelijk van de aandoening.
- Natuurlijke selectie op PKU is zeldzaam en alleen bij mensen die zich niet aan het dieet houden.
- Populatie is groot.
- Migratie heeft geen effect.
- Andere populaties hebben vergelijkbare genenpoelen.
1 op 10.000 heeft PKU dus 0.01% PKU = autosomaal recessief Q=0,01 Q^2= 0,0001 P= 0.99 P^2= 0.9801 2 x pq= 0.0198 ongeveer 2%