Fylogenie
Fylogenie:
- De studie naar evolutionaire geschiedenis en relatie tussen individuen of groepen organismen.
- Aan de hand van genetische en/of anatomische eigenschappen
- Anatomisch:

- Genetisch:
- Verwantschap kan worden bepaald aan de hand van een multiple sequence alignment.
- Anatomisch:
Fylogenetische boom
- Multiple sequence alignments kunnen een fylogenetische boom creëren.
Stappenplan
- Een set (homologe) sequenties voor in de fylogenetische boom.
- Vergelijk elke sequentie paarsgewijs (pairwise alignment) en noteer de verschillen in een tabel.
- De sequenties met de minste verschillen zijn sister groups en zet je bij elkaar
- Maak een 2e tabel met average differences en haal daar weer de kleinste verschillen uit.
- Herhaal tot voltooid. (dia 10 tot 20)
Fylogenetische Bomen
- Vroeger waren ze voornamelijk gebaseerd op basis van morfologie/anatomische eigenschappen.
- Nu moleculair:
- genen
- eiwitten
- mRNA
- 3D structuren van eiwitten
- Wat we wel en niet kunnen leren van bomen:
- Een tak punt (node) representeert (een vertakking/afsplitsing van) een gemeenschappelijk voorouder → soortvorming.
- Een voorouderlijke lijn is een volgorde van organismen die leid tot de afstammelingen.
- Zustergroepen delen een gemeenschappelijk voorouder.
- Zustergroepen hebben deels hun eigen geschiedenis, deels een gedeelde geschiedenis.
- Bomen kunnen diagonaal of verticaal zijn
- Ze kunnen om hun tak punt (node) draaien.
Cladogram vs Fylogram
| Cladogram | Fylogram (Fylogenetische boom) |
|---|---|
| Laat alleen een relatie zien tussen verschillende organismen in relatie tot een gemeenschappelijke voorouder. | Laat een relatie zien tussen verschillende organismen in relatie tot de evolutionaire tijd en de hoeveelheid verschillen die zijn ontstaan in die tijd. |
| Hypothese van een relatie tussen organismen. | Een representatie van evolutionaire historie tussen organismen. |
| Takken zij allemaal dezelfde lengte (geen informatie dus). | De takken hebben een andere lengte die een evolutionaire afstand weergeeft. |
| Kan geen evolutionaire tijd weergeven wanneer organismen uit elkaar zijn geëvolueerd. | Geeft een indicatie van evolutionaire tijd van wanneer organismen uit elkaar zijn geëvolueerd. |
Verschillende vormen van fylogenetische bomen
- De tak lengtes kunnen de genetische verandering weergeven.
- Kortere takken betekent minder genetische verandering
- Soms wordt tijd gebruikt m.b.v fossielen.
- We kunnen nooit 100% weten wat de juiste (vorm van een) boom is. We kunnen wel gebruik maken van:
- Maximum parsimony is een methode die aanneemt dat de meest waarschijnlijke boom de boom is die het minst evolutionaire gebeurtenissen heeft.
- Wanneer we DNA/eiwit sequenties gebruiken, betekend dit de minste base veranderingen.
- Maximum likelihood identificeert welke boom het meest waarschijnlijke een bepaalde set van DNA/eiwit sequenties produceert, d.m.v. regels/kennis over hoe DNA/eiwitten over tijd veranderen.
- Bv: alle nucleotide substituties hebben een gelijke kans voor te komen.
- Maximum parsimony is een methode die aanneemt dat de meest waarschijnlijke boom de boom is die het minst evolutionaire gebeurtenissen heeft.
Fylogenetische bomen “rooten”
- Om een juist idee te krijgen van hoe organismen (of genen) gerelateerd zijn aan elkaar en in welke richting evolutie gaat, moeten we de juiste “root” hebben.
- Een root is het oudste punt in een boom die de theoretische voorouder van alle organismen in die boom weergeeft.
Midpoint rooting
- langste lengte vinden (A-E) in de boom van topje tot topje. De root wordt dan in het midden van die tak geplaatst.
- Dit werkt als de evolutie snelheid tussen de sequenties redelijk gelijk is of als de organismen nauw verwant zijn

Outgroup rooting
- gebruikt een sequentie van een organisme waarvan we weten dat die ver van de andere organismen in de boom staan (ver verwant) → outgroup.
- Bv: Een vis kan een outgroup zijn van zoogdieren (zoals mens en aap).
- Een buideldier (kangoeroe) kan een outgroup zijn van de placentadieren (mens, muis, etc).
